|
"De Goede Herder" Oud Israël |
Al eerder gepubliceerd:Herders Van Tent tot Huis Graanteelt Herders De complete onderstaande tekst kan worden geopend en opgeslagen in pdf-formaat. klik op "Dagelijks leven in Israël" |
Inleiding
Aan het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw
werd er nogal veel onderzoek gedaan naar het leven en gewoonte in
het land van de Bijbel. De resultaten werden tevens vergeleken met
citaten en beschrijvingen uit de Bijbel, in het bijzonder met de
boeken van het Oude Testament. Heel veel beschrijvingen bleken
overeen te stemmen, met de bevindingen uit de gemaakte studies.
Hieruit kon men de conclusie trekken, dat er in de voorgaande
drieduizend jaar niet ècht veel veranderd was! Zo kon er een
redelijk beeld geschetst worden van de oude Bijbelse tijden.
In de onderwerpen, die op deze site te zien (zullen) zijn, wordt een
poging gedaan, om dit beeld te tonen. Door enigszins op de hoogte
zijn van de cultuur uit die dagen, zullen teksten uit “Het Boek”
vaak beter begrepen (kunnen) worden. Immers, de schrijvers van de
Bijbel waren geboren en getogen in het Midden Oosten en dus
“kinderen” van díe cultuur en van díe tijd!
Als bron is onder andere gebruik gemaakt van de boeken “Manners and
Customs of Bible Lands” van Fred H. Wright, die op zijn beurt weer
veel andere bronnen gebruikt heeft en “Arbeit und Sitte in
Palästina” van Gustaf Dalman.
De in deze artikelen gebruikte citaten uit de Bijbel zijn
letterlijke weergaven van de nieuwste vertalingen. NB: Houdt U er wel rekening mee, dat slechts dàt deel van een vers of verzen geciteerd wordt, dat direct op het onderwerp betrekking heeft. Om de aanhaling niet uit de context te lichten verdient het aanbeveling om het in de Bijbel na te lezen.
Herders in Israël
Laten wij ons bepalen, tot de herder in Palestina. Hij wordt al vroeg in het Oude Testament genoemd. Meestal in de betekenis van hoeder van het vee, soms wordt hiermee God bedoeld, als hoeder van zijn Volk. In het Nieuwe Testament staat in Johannes 10 het verhaal van de Goede herder. Dit verhaal klinkt ons vanzelfsprekend bekend in de oren.We gaan vlug terug naar het begin, naar Abraham. Zo wordt in Genesis al geschreven over twisten tussen de herders van Abraham en die van Lot. Beiden hadden grote kuddes en het land gaf niet voldoende voedsel voor beiden, Daarom gingen ze uit elkaar. De een ging naar links de ander naar rechts.
De
nomaden - dat waren Abraham en Lot en later Jacob en Ezau en velen
na hen – streken neer in Palestina. Vaak vestigden herders met
kleinere kudden zich in de bergen, waaruit de boeren voortkwamen,
die de landbouw gingen beoefenen. Zij gingen wonen in de dalen, waar
landbouw mogelijk was en waaruit dan weer dorpen en, later, steden
ontstonden. Veel boeren beoefenden zowel landbouw als veeteelt.
Zodra hun eerste zoon daartoe in staat was, ging hij met de schapen
en geiten erop uit. Als er daarna wéér een jongen kwam, nam die het
van zijn oudere broer over, die op zijn beurt zijn vader op het land
hielp. Zo ging de taak als herder steeds over, tot aan de jong te
toe. David - samen met Mozes, de bekendste herders uit het Oude Testament - was de jongste uit een gezin met acht kinderen. Als jongste was hij niet, wat je noemt,echt belangrijk, óók niet voor zijn vader! We kunnen dat lezen in het boek 1 Samuël 16 vers 11. Samuël ging in opdracht van God naar Bethlehem om daar een nieuwe koning te zalven. Hij wist niet wie dat zou moeten zijn, maar God had hem gezegd, de nieuwe koning aan te zullen wijzen. Zo werd hij naar Isaï geleid, waar hij zeven zonen van Isaï zag, maar steeds zei God hem, dat het niet degene was, die hij moest zalven." Zijn dit alle zonen die u heeft?’ vroeg hij. ‘Nee, ‘antwoordde Isaï, ‘de jongste is er niet bij, die hoedt de schapen en de geiten.’ Toen zei Samuël tegen Isaï: ‘Laat hem hier komen. We beginnen niet aan de maaltijd voordat hij er is.’ Isaï liet hem halen. Het was een knappe jongen met rossig haar en sprekende ogen. En de HEER zei: ‘Hem moet je zalven. Hij is het.’ Samuël nam de hoorn met olie en zalfde hem te midden van zijn broers"
De herder was goed gekleed. Hij bleef
's nachts bij de dieren en de nachten waren vaak heel koud. Als
onderkleed droeg hij een katoenen tunica, die met een leren gordel
werd opgebonden. Zijn bovenkleed was gemaakt van geitenhaar. Dat was
uitstekend geschikt als het regende, want dat stootte de
regendruppels af. In de nacht wikkelde hij zijn bovenkleed als een
deken om zich heen, om zodoende warm te blijven. Dat was een
algemene gewoonte in die tijd.In het boek Deuteronomium 24:12
vaardigt Mozes namens God de volgende wet uit
De herder had een herderstas, gemaakt
van gedroogde huid. Hierin nam hij brood, kaas, gedroogd fruit en
olijven mee als voedsel. Melk was er voldoende, hij had immers ook
geiten bij zich! Hij was gewapend met een eikenhouten stok van zo'n
50 à 60 cm lang met een knop eraan. Met die stok kon hij zich
verdedigen tegen wilde dieren of rovers, die het op zijn kudde
gemunt hadden. Die stok gebruikte hij óók om schapen te tellen. 's
Avonds liepen de dieren onder de stok door,waardoor hij ze één voor
één kon tellen. Ook werd de stok wel in kleurstof gedoopt om daarmee
elk tiende dier te merken. Het tiende dier was bestemd als
brandoffer. In Ezechiël 20:37, zegt God De herders speelden graag op een fluit, die ze zelf maakten uit riet. Zo'n fluit bestond uit 2 "pijpen", De ene was langer dan de ander en ze waren in de lengte, tegen elkaar aan, samengebonden. In de fluit zaten gaatjes, waarmee de noten konden worden gespeeld. Het woord Psalm betekent oorspronkelijk: "gespeeld op pijp of fluit". De herder had een hoorn bij zich, waarin hij olijfolie meenam. Deze olie diende als geneesmiddel voor verwondingen, die de dieren konden oplopen, door de scherpe stekels van de struiken waartussen ze graasden. De lammeren werden ermee behandeld, als ze door de felle zon verbrandingen aan hun nog tere huid hadden opgelopen. De herders, die meestal met hun kuddes alleen waren, speelden soms een spel met hun dieren. Ze liepen dan plotseling hard weg, alsof ze hen alleen wilden laten. Ze reageerden direct daarop, door achter de herder aan te rennen en hem in te sluiten. Ze verdrongen zich dan om hem heen, omdat ze heel dicht bij hem wilden komen en hem wilden aanraken. Verschillende kuddes konden zich met elkaar vermengen, zodat de herders in elkaars nabijheid konden blijven. Ze overnachtten doorgaans ’s nachts in een stal, waarbij de herders in een grot verbleven en de dieren buiten, in een omheinde ruimte, de nacht doorbrachten. Zo'n omheinde ruimte werd door de herders zelf aangelegd, door stenen los op elkaar te stapelen. Op die manier vormden ze een muur. Ook werden wel takken tussen paaltjes gevlochten, wat tot een sterke en nagenoeg ondoordringbare afscheiding leidde. Als de herder in de ochtend wegging of, onderweg zijn schapen wilde verzamelen dan riep hij ze bijeen. Hij liet dan een luidkeels "Tahoo Tahoo" horen. Zijn eigen schapen reageerde daarop, omdat ze zijn stem precies kenden en die nooit met die van een andere herder verwarden. -"De schapen luisteren naar zijn stem, hij roept zijn eigen schapen bij hun naam en leidt ze naar buiten. Wanneer hij al zijn schapen naar buiten gebracht heeft, loopt hij voor ze uit en de schapen volgen hem omdat ze zijn stem kennen" - zo staat in het welbekende verhaal van Johannes over de Goede Herder geschreven. En inderdaad, de herder kende al zijn schapen bij hun namen, namen, die hij hen zelf gegeven had. Bijvoorbeeld: Vlekje, Zwartkop en dergelijke. Steeds waren het de uiterlijke verschillen, waaraan hij zijn dieren kende. De namen gaf hij hen al bij hun geboorte.
Vanzelfsprekend waren de herders heel
goed bekend met het land en wisten ze de beste weidegronden voor hun
dieren te vinden en, natuurlijk, water. Water is in Palestina een
schaars en kostbaar goed. De put dekten ze af, om te voorkomen, dat
de dieren erin zouden vallen en verdrinken en om ervoor te zorgen,
dat de put niet vervuild werd. Een gevonden put werd als eigendom
beschouwd. Toch konden ook anderen er gebruik van maken. Overigens
was het in het verleden niet altijd koek en ei, wanneer het over
water ging! In Genesis 26 kunnen we lezen dat de herders van Izaak
en Gerar met elkaar twistten over putten, die vroeger door Abraham
gegraven waren en uit jalousie door de Filistijnen met zand waren De herders hadden zoveel gezag over hun schapen, dat ze een kudde langs en door graanvelden konden leiden, zonder dat een van de dieren hiervan at of er doorheen liep.Was het graan eenmaal gemaaid en de achtergebleven aren gelezen door de armen, dan stond het de herder vrij om zijn schapen daar te laten grazen. Sommige herders hadden een hond, een dure luxe, want zo'n dier moest ook gevoed worden en zo goed hadden ze het toen niet. De hond was er niet zozeer om de schapen op te jagen, die volgden immers de herder als hij hen riep, maar om hem te waarschuwen en te helpen, als er onraad was. En dat gebeurde herhaaldelijk. Wolven, panters, hyena's en jakhalzen waren gevaarlijk voor de kudde en vroeger kwamen daar ook nog eens leeuwen bij. Denk maar aan Daniël en aan Samson. En, niet te vergeten, rovers, die op de kudde afkwamen. Maar daarvoor had de herder dan ook zijn stok en slinger en die gebruikte hij, reken maar! Als de kudde te groot was en de herder het niet goed alleen aankon, huurde hij iemand in. Jezus noemt zo iemand een "huurling". Die was niet, zoals de herder, begaan met de kudde als er gevaar dreigde. Hij voelde zich daarvoor niet verantwoordelijk en ging er vandoor, als het hem te gevaarlijk werd. Begrijpelijk! De herder had al een karig bestaan, dan hoeven we over een huurling al helemaal niet meer te spreken! De herder, vaak in dienst van een rijk man, werd niet, wat je noemt, goed betaald. Hij ontving wel wat geld, maar het kwam toch hoofdzakelijk neer op kost en inwoning (lees warme kleding). Hij mocht de dieren voor eigen gebruik melken en wat hij overhad mocht hij verkopen. Ook boter en kaas mocht hij bereiden, behalve in het voorjaar, dan was de melk voor de eigenaar. In die tijd gaven de dieren de beste melk. Vandaar!
Graanteelt
Ploegende boer met ossenprik
O
De
wet van Mozes verbood het ploegen van een os en ezel onder één juk.
In Deuteronomium 22 vers 10 schrijft hij: “U mag een rund en een
ezel niet samen
voor de ploeg spannen.”
Begrijpelijk als we het krachtsverschil tussen beide dieren
bekijken.
Als
we deze ploegen vergelijken met die, zoals in het westen worden
gebruikt, valt het op, hoe primitief ze zijn. De schaar bestond
eigenlijk maar uit één punt, waarmee slechts een enkele vrij ondiepe
voor kon worden getrokken. Daarom werkten boeren vaak samen. De
tweede boer, die, vanzelfsprekend een soortgelijke ploeg had, kwam
achter de eerste aan en trok een tweede vore ernaast. Ze deden dit
ook als zelfbescherming tegen rondzwervende en rovende Bedouinen.
Er werden zelfs teams met een groter aantal ossen gevormd, zoals
onder andere blijkt uit de beschrijving, die we aantreffen in
1Koningen 19 vers 19. Daar staat: “…Toen hij Elisa, de zoon van
Safat, aantrof was deze aan het ploegen. Ze waren aan het werk met
twaalf span ossen;
Elisa liep achter het twaalfde span… “
Als de bodem te hard was of de hellingen waren rotsachtig, dan
bewerkte hij de grond eerst met een pikhouweel of hak.
Mest werd door de boeren zelden gebruikt. Veel hellingen, waarop de boer graan zaaide, waren bedekt met kalksteen. Door regenbuien wordt een deel van de kalk in het regenwater opgelost, waardoor dit zich met de aarde kan vermengen tot een vruchtbaar geheel. Op één geval na, wordt in de Bijbel overigens nergens over bemesten gesproken. Alleen in Lukas 13 vers 1 tot 9 vinden we daarover iets terug, namelijk in de parabel van de onvruchtbare vijgenboom. Daar staat: “… Maar de wijngaardenier zei: “Heer, laat hem ook dit jaar nog met rust, tot ik de grond eromheen heb omgespit en hem mest heb gegeven, misschien zal hij dan het komende jaar vrucht dragen, en zo niet, dan kunt u hem alsnog omhakken”.
De
twee voornaamste graansoorten, die in het oude Israël werden
verbouwd zijn tarwe en gerst. In Ezechiël 4 vers 9 wordt onder
andere ook gierst en spelt als graan vernoemd. We lezen daar: “Je
moet tarwe, gerst,
bonen, linzen, gierst en
13 bij
elkaar in een pot doen en er brood van bakken ….”
Als de boer ging zaaien, droeg hij het zaad in een leren zak en strooide het breeduit over de akker. Daarna werd het ondergeploegd. Als dit niet snel genoeg gebeurde, werd het, onnodig om te zeggen, door de vogels opgegeten. Ook sprinkhanen konden voor de boer een plaag zijn, zij aten de akkers helemaal kaal. Behalve vogels en sprinkhanen was er nog een plaag, namelijk het vuur. Het was de gewoonte om het koren zo lang op de akker te laten staan, totdat het helemaal droog was geworden door zon en wind. Doornstruiken groeien heel vaak om de korenvelden en ook tussen het graan. Als de doorns verbrand werden sloeg het vuur vaak over op het koren, waardoor de oogst verloren ging. In de Thora is een wet opgenomen, die dit regelt. In Exodus 22 vers 6 wordt hierover gezegd: “Wanneer iemand iets verbrandt en het vuur overslaat op doornstruiken, waardoor korenschoven of een akker met het staande koren in vlammen opgaan, moet de veroorzaker van de brand de schade vergoeden.” Duidelijke taal! Zoals eerder werd opgemerkt, werd de eerste regentijd afgewacht, voordat met ploegen en zaaien kon worden begonnen. Deze tijd werd aangeduid met “vroege” regen. In de maanden maart en april valt er een malse regen, die “late” regen wordt genoemd. Hierdoor werden de akkers goed bevloeid, wat ook nodig was om een rijke, overvloedige oogst te krijgen. Tussen deze beide regentijden, lag de winterregen. Dit waren zware buien, waarbij het water naar beneden gutste.
Zodra de tarwe het zogenaamde “melkstadium” had bereikt, begonnen de
graankorrels hard te worden. Deze korrels smaken dan heel lekker. De
plaatselijke bevolking pleegt dan aren te plukken en op de hand uit
te wrijven. Een eeuwenoude ongeschreven wet bepaalt, dat reizigers
in het voorbijgaan het graan mogen eten.
In
de Wet van Mozes staat in Deuteronomium 23 vers 25 geschreven: “En
wanneer u door andermans korenveld loopt mag u wel aren plukken met
de hand, maar niet de sikkel in zijn koren slaan.”
In Leviticus 23 vers 22 staat verder te lezen: “Ga bij het binnenhalen van de oogst niet tot aan de rand van de akker en raap wat blijft liggen niet bijeen, maar laat het liggen voor de armen en de vreemdelingen.” Hieraan is niets toe te voegen.
Als de
oogsttijd daar was, werd het graan met sikkels gemaaid. In oude
tijden werden die gemaakt van vuursteen. Later werden ze ook wel
vervaardigd uit brons of ijzer. Aangezien de sikkels uit vuursteen
goedkoop waren, werden die in de regel door de boeren gebruikt. De
vuursteen werd aangebracht in het kaakbeen van een dier of in een
gebogen stuk hout. Dat dit stuk gereedschap al vroeg in de Bijbel
vernoemd werd, vinden we terug in Joël 3 vers 13: “Sla de
sikkel erin, het is tijd om te oogsten Na het maaien werd het graan in schoven gebonden. Twee grote bundels graan werden met touw aan elkaar verbonden met een tussenruimte van 60 à 70 cm. Een kameel knielt dan neer tussen de bundels, waarna ze aan het zadel werden vastgemaakt. Zo hing aan beide zijden van het dier een flinke hoeveelheid koren, dat vervolgens naar de dorsvloer werd gebracht. Die lag meestal niet ver van het dorp verwijderd.
Een
dorsvloer was rond en had een diameter van tien tot vijftien meter.
Zo nodig werd die vlak gemaakt en vast aangestampt, zodat er geen
zand of iets dergelijks met het graan vermengd zou worden. Er waren 4 manieren om het koren te dorsen, namelijk: - Dorsen met en dorsvlegel. Nog niet zo lang geleden, werd dat ook bij ons nog zo gedaan en wie weet, gebeurt het incidenteel nog wel eens. Al was het maar, om deze manier te demonstreren - Een dorsslede (foto 1+2); dit is een instrument, dat is vervaardigd uit twee houten planken, samen een kleine meter breed en ongeveer twee meter lang. Aan de onderzijde zitten kleine gaten, waarin scherpe stenen of stukjes metaal zijn aangebracht. Het wordt over de vloer rondgetrokken, terwijl de dorser bovenop de plank staat. - Een andere “dorsmachine” (foto 3) leek op een klein wagentje, met aan de onderzijde een aantal gekartelde wielen, die iets weghadden van een cirkelzaagblad. De dorser zat er bovenop, terwijl ook dit apparaat door een span ossen over de vloer werd rondgetrokken. - De door de Joden in het Oude Testament meest gebruikte methode was die, waarbij de ossen zonder meer over het op de vloer uitgespreide koren rondliepen. Het graan werd zo door hun hoeven uit de halmen getrapt. Door deze manier van dorsen werd niet alleen het graan uit de halmen verwijderd, maar ook werd het stro in kleine stukjes gebroken. Dat kon dan als voer voor het vee en de kamelen dienen. Het werd dan vermengd met gerst.
Maquette in het Museumpark Orientalis. 2 manieren van dorsen
Foto 1 Dorsslede Foto 2. Duidelijk zijn de (versleten steentjes) in het vergrootte deel van de dorsslede te zien
Foto’s Museumpark Orientalis
Foto 3 “Dorsmachine”voorzien van
gekartelde schijven. (foto Museumpark Orientalis)
Na
het dorsen was het wannen aan de beurt. Met een schop of een houten
vork werd het stro in de wind in omhoog geworpen. Het stro en het
kaf, die lichter zijn als de graankorrels, waait een eindje verderop
een hoop, terwijl de zwaardere graankorrels naar beneden vallen. Op
die manier, werd het stro en het kaf van het koren gescheiden.
Er
blijft echter altijd nog wel wat kaf, onkruid of kleine steentjes
achter in het graan. Het werd daarom ook nog gezeefd. Dit wordt door
de vrouwen gedaan. Ze gooien het mengsel in de zeef en schudden die
zo lang heen en weer, totdat het laatste kaf bovenop komt te liggen.
Dit kaf blazen de vrouwen dan weg. Het onkruid en de grotere
steentjes verwijderen zij met de hand.
Vervolgens werd het graan opgeslagen. Kleinere hoeveelheden werden
in stenen kruiken bewaard en soms ook wel in huis in een soort
kleine “silo”. Onderin zo’n uit leem en vlechtwerk bestaande opslag
zat een gat met een houten prop, waardoor het graan kon wegstromen
in een korf of iets dergelijks. Grotere hoeveelheden werden
opgeslagen in schuren of in kelders onder de grond. De kelders
werden afgedekt om de graanvoorraad aan het oog te onttrekken, om zo
roof te voorkomen.
Van Tent tot Huis.
De tent van de Bedouienen
(Nomaden) is gemaakt van zwart geitenhaar en is langwerpig van vorm.
“Huis van haar” noemen zij het. Het is gemaakt van ruwe stof en
beschermt de familie in de winter tegen de koude wind. In de zomer
werden de zijkanten meestal opgetrokken zodat men in de schaduw kon
zitten en de wind vrij er doorheen kon waaien. Geitenhaar is
enigszins poreus. Als het nat wordt zwelt het, zodat er geen regen
doorheen komt. Soms werd kamelenhaar gebruikt. De stof, waaruit de
tent werd opgebouwd, werd door de vrouwen op een weefstoel gemaakt.
Zo een baan kon een breedte van circa vier en een lengte van dertig
el hebben ( +/- 2,70 x 20 mtr) Het bouwsel bestond uit twee of drie
van elkaar gescheiden delen. Eén gedeelte was voor de mannen en een
ander voor de vrouwen. Een eventueel derde deel was bestemd voor de
knechten of klein vee.
De tentbedekking werd gespannen
op stokken, die op staanders van gevorkte takken of boomstammetjes
werden gelegd. Die werden geschoord door touwen die aan tentpennen
waren vastgezet. Tenten werden in de praktijk nooit vervangen. Als
er weer geitenhaar voorhanden was, werden nieuwe banen geweven. De
slechtste “tentdakbaan” werd vernieuwd, het vervangen deel werd op
zijn beurt gebruikt om de meest versleten afhangende baan te
repareren.
Als jong gehuwden zelfstandig
gingen wonen, werden soms nieuwe tenten gemaakt. Meestal echter
woonden zij in het verblijf van de familie. Dat werd eenvoudigweg
vergroot, door er nieuwe banen aan toe te voegen. De tent ging over
van vader op zoon.
Veel meubilair was er niet. De
grond was bedekt met kleden. ‘s nachts werden er matten of kleinere
kleden op de grond gelegd, waarop geslapen werd. Om de centrale
tentpaal werden de zakken met graan opgeslagen en er was een
handmolen om het graan te malen. Water en andere vloeistoffen werden
bewaard in zakken, waarvoor een geitenhuid werd gebruikt, die in de
tent werd opgehangen. Om water te putten hadden ze een uit leer
gemaakte emmer. Verder hadden ze de beschikking over potten, pannen,
ketels en grote borden en drinkbekers. Binnen stond ook een
primitieve olielamp op een staander. Als een familie één of meer
kamelen bezat, werd het kamelenzadel in de tent als zitplaats
gebruikt.
Zoals bekend zat
Rachel op een kamelenzadel, toen haar vader haar en Jacob
achtevolgde (Zo lezen we in Genesis 31 vs 34:
Rachel
had de beeldjes in een kameelzadel verstopt en was daarop gaan
zitten. Laban doorzocht de hele tent maar kon ze niet vinden. ‘Wees
alstublieft niet boos dat ik niet voor u opsta, ‘zei Rachel tegen
haar vader, ‘ik ben ongesteld.’ Zo zocht Laban alles af, zonder zijn
godenbeeldjes te vinden)
De tent van de Nomade is zijn
“thuis”, het begrip thuis is voor hem echter heel anders als voor
ons. Wat wij onder “thuis“ verstaan is voor hem een volkomen
onbekend denkbeeld. Voor hem is “thuis” het plaatsje waar zijn tent
is opgebouwd en waar zijn kudde is verzameld, verder niets.
De dorpswoning.
Nadat Israël vele jaren in Kanaän
woonde en het Nomadenleven langzaam aan was overgegaan in een
stabiele landbouwcultuur, begonnen de huizen de plaats in te nemen
van de tenten.
Het doorsnee huis voor het gewone
volk had slechts één woonvertrek. In de Bijbelse tijd bouwde men
geen huis met de idee daarin het dagelijkse leven door te brengen.
Het was meer de bedoeling om de hele dag buiten te zijn. Het huis
deed dienst als een plaats, waarin men zich kon terugtrekken. Daarom
waren de buitenmuren van deze eenvoudige huizen niet, wat je noemt,
uitnodigend. Men had er helemaal geen behoefte aan om de
aandacht op deze plaats te vestigen. Het huis was niet meer of
minder dan een schuilplaats. Het begrip thuis zoals wij dat kennen,
was hen geheel onbekend.
De Israëliet van die tijd
beschouwde zichzelf als een reiziger op God’s aarde. Zijn tent of
kleine huisje was voor hem voldoende schuilplaats tijdens deze
pelgrimage.
De vloer in deze huizen was
doorgaans van aarde, dat glad en hard gemaakt was. Soms was het een
mengsel van kalksteen en modder, dat uitgehard was. De bodem bestond
ook wel uit kinderkopjes of steenslag vermengd met kalksteen.
De muren van de
woningen waren vaak van baksteen. Niet zoals wij die kennen,
gebakken in een oven, maar gedroogd in de zon. Job zegt hier over in
Job 4:19
“…… de
mens, wonend in zijn huis van leem, met fundamenten in het stof.”
De huizen werden ook opgetrokken
uit ruw zandsteen, dat heel gewoon was/is in dit land. Ze hadden
allerlei afmetingen en werden in leem gezet. De voegen waren breed
en onregelmatig. Alleen paleizen en huizen van de welgestelden
werden gebouwd uit gehouwen stenen.
Een deel van de vloer werd
verhoogd, zodat er twee niveaus ontstonden. Het hoogteverschil kon
60 cm bedragen of soms aanzienlijk méér. Het verhoogde deel werd
bereikt door middel van een stenen trap(je). In het lagere deel
verbleven in koude tijden de dieren, zoals schapen en geiten. Zelfs
de ezel werd daar in die tijd wel gestald. Voor het voer was meestal
een voerbak of kribbe in de muur ingebouwd, soms bevond die zich aan
de rand van het verhoogde gedeelte
De daken van deze
nederige Palestijnse huizen werden gevormd, door boomstammetjes
dwars over de muren te leggen. Daarop werden rietmatten, en soms,
doorntakken gelegd. Daaroverheen kwamen dan weer een laag klei of
aarde. Zand en kiezelstenen werden uitgestrooid en vervolgens werd
het geheel glad gemaakt met een kleine stenen roller. Deze roller
liet men liggen, om het dak regelmatig te kunnen bijwerken. In het
bijzonder na een regenbui om lekken te voorkomen. Op de dakrand
behoorde een lage borstwering of muur aangebracht te worden met
onderaan kleine openingen om eventueel regenwater de gelegenheid te
geven om af te vloeien. Zo een muur was nodig om te voorkomen, dat
iemand naar beneden zou vallen. De Torah is hierover zeer duidelijk.
In Deuteronomium 22:8 staat geschreven: “Als
u een huis bouwt, moet u het dak voorzien van een balustrade; anders
bent u aansprakelijk wanneer iemand eraf valt.”
Het dagelijkse
gebruik van het dak voor allerlei doeleinden, maakte deze wet
noodzakelijk. Het is niet moeilijk voor te stellen, dat op een dak,
waarop een laag aarde of leem lag, gemakkelijk gras kon groeien. In
Psalm 129:6 lezen we:
“….. ze
zijn als gras op de daken dat verdort nog voor het bloeit:”
terwijl in 2 Koningen 19:26: staat:
“…hun
inwoners staan machteloos en gloeien van schaamte. Ze zijn als jonge
scheuten op de akker, pril groen in de woestijn, tere sprietjes
op het dak: verschroeid nog voor ze opgekomen zijn.”
Met een dergelijk dakbedekking is het
voor de hand liggend, dat bij hevige regenval vaak lekken ontstaan.
Reizigers, die in zo een huis overnachtten,moesten soms een andere
gelegenheid zoeken, vanwege het neerdroppelende water. Dat dit van
alle tijden was, kunnen we onder anderen in Spreuken 27:15 zien:
“Als een
dak dat altijd lekt wanneer het regent, zo is een vrouw die steeds
weer ruzie zoekt.”
Daar de huizen,
zoals we gezien hebben, vaak uit modder, klei enz. zijn gebouwd, is
het gemakkelijk voor rovers of inbrekers om een ergens een gat te
maken om zo in een huis te komen. Job verwijst ook hier naar. In Job
24:16 zegt hij hierover:
“In het
donker dringen zij de huizen binnen; na zonsopgang houden zij zich
schuil om aan het daglicht te ontsnappen.”
De voegen tussen de stenen, waren ruim
en onregelmatig. In de zo ontstane holtes hadden slangen zich vaak
verscholen. Het kon zo maar gebeuren dat een bewoner in aanraking
kwam met een slang. Ook hierover vinden we in het oude Testament,
namelijk in Amos 5:19, iets terug:
“….. en dan, als hij een huis binnenvlucht en met zijn hand tegen de
muur leunt, gebeten wordt door een slang.”
Oosterse huizen
hebben geen of slechts enkele ramen aan de straatzijde. En, zo ze er
al zijn, dan zijn ze meestal hoog in de muur aangebracht. In de
regel hebben de ramen houten tralies om dieven buiten te houden. Het
onderste deel is bovendien van lattenwerk voorzien . Dit is zodanig
aangebracht, dat van binnen naar buiten gekeken kan worden, zonder
dat men zelf gezien kan worden. Houten blinden sluiten de ramen ’s
nachts af. De deuren en de ramen waren gemaakt van hout van
platanen. De rijken gebruikten cederhout, maar alleen voor
versiering van hun huizen. De deuren draaiden op scharnieren,
waarnaar de bekende spreuk verwijst:
“Zoals een
deur in zijn scharnieren draait, zo draait een luiaard zich om in
zijn bed.”
(Spr 26:14 )
De deuren werden ’s
nachts afgesloten door middel van balken, zoals wij vandaag de dag
nog wel kennen in schuur- of staldeuren. De deur van de boerenwoning
wordt ’s morgens vroeg geopend en blijft dan de hele dag gastvrij
geopend. Als de deur gesloten blijft, zou dit een teken kunnen
zijn, dat de bewoners iets hebben gedaan, waarvoor ze zich
schaamden. In Johannes 3:20 wordt daarnaar verwezen:
“Wie kwaad
doet, haat het licht; hij schuwt het licht omdat anders zijn daden
bekend worden.”
Bij zonsondergang wordt de deur gesloten en
blijft dicht gedurende de nacht. Deze plattelandsgewoonte vindt men
in de grotere stadshuizen echter niet terug.
Het meubilair in de
éénkamerwoningen was heel eenvoudig. Matten en kussens worden
gebruikt om overdag op te zitten. ’s Nachts slaapt men op kleden of
matten. Er zijn vaten van aardewerk voor huishoudelijke gebruik met,
misschien, enige metalen gebruiksvoorwerpen. Er is een opbergkist
voor de slaapmatten en kleden, een lamp, die op een standaard of op
een omgekeerde mand staat, een bezem om het huis schoon te maken,
een handmolen om koren te malen en geitenhuiden om water en
dergelijke in te bewaren. In het midden, op de vloer, is een
stookplaats. Aparte bedden in afzonderlijke slaapvertrekken waren in
het oude Bijbelse Land onbekend. De bedden werden gevormd door de
slaapmatten of kleden naast elkaar in de kamer te leggen. Ze werden
zo neergelegd, dat de hele familie naast en dicht tegen elkaar
lagen. De vader sliep aan het ene, en de moeder aan het andere
einde. Zo konden ze voorkomen, dat de kinderen wegrolden van onder
de dekens.
In Lukas 11:5-7
wordt een dergelijk situatie als volgt beschreven:
Daarna zei
hij tegen hen: ‘Stel dat iemand van jullie een vriend heeft en
midden in de nacht naar hem toe gaat en tegen hem zegt: “Wil je mij
drie broden lenen, want een vriend van me is na een reis bij mij
gekomen en ik heb niets om hem voor te zetten.” En veronderstel nu
eens dat die vriend dan zegt: “Val me niet lastig! De deur is al
gesloten en mijn kinderen en ik zijn al naar bed. Ik kan niet
opstaan om je te geven wat je vraagt.”
De man was dus
doodeerlijk, toen hij zei ”mijn kinderen en ik zijn al naar bed”!
Hij kon eenvoudig niet opstaan, zonder de kinderen in hun slaap te
storen. Het was bij de eenvoudige mensen de gewoonte om overdag,
wanneer de dieren buiten waren, de baby, zo men die had, in de
voerbak te slapen te leggen.
Toen Maria Jezus in een kribbe te
slapen legde, zal dat in haar ogen dan ook beslist niets bijzonders
zijn geweest!
De olielamp maakte in Israël een
hele geschiedenis door. In het begin, toen Israël zich nog maar net
in het Beloofde Land gevestigd had, gebruikten ze dezelfde inheemse
lamp als de bewoners van Kanaän. Het was een aardewerk schaaltje,
waaraan de pottenbakker een tuitje had gemaakt, dat aan de bovenkant
gespleten was. In het schaaltje werd olijfolie gedaan. De pit werd
in het tuitje gelegd, zodat het ene einde er enigszins uitstak,
terwijl het andere eind in de olie gedrenkt werd. Het nadeel was,
dat er gemakkelijk olie uit knoeide. Duizend jaar later werd een
lamp uit Mesopotamië ( het huidige Irak ) ingevoerd. Deze lamp had
een gesloten, buisvormig (niet gespleten) tuitje waardoor de pit
naar buiten stak. Het voordeel van deze lamp was, dat men niet meer
zoveel olie knoeide. In de vijfde eeuw voor Christus gebruikte men
een prachtige zwart geglazuurde lamp uit Griekenland, die erg
populair werd. Toch was ook in de derde eeuw v.C. het oudere type
schaaltjeslamp nog steeds in zwang. In de tweede eeuw v.C. werd deze
oude lamp door de Makkabeeën weer nieuw leven ingeblazen, omdat deze
meer in de lijn van de Joodse traditie lag. Echter, vanaf de tijd,
dat de Romeinen dominant aanwezig waren, werden de lampen ingevoerd
of werden uitheemse modellen ter plaatse gefabriceerd.
Aanvankelijk werden
de lampen in de huizen op een uit de muur uitstekende steen gezet.
Later werden staanders gebruikt. Deze waren vrij hoog. Archeologen
hebben bronzen staanders van ongeveer 70 cm hoogte gevonden. Armere
mensen konden zich geen staanders veroorloven. Zij zetten de lamp
vaak op een omgekeerde korenmaat. In Mattheüs 5:15 staat:
“Men steekt ook geen lamp aan om hem vervolgens onder een korenmaat
weg te zetten …”
De lamp werd als de enige luxe van de boer beschouwd. Zodra de zon
in het westen onderging, ging de deur op slot en werd in het huis de
lamp aangemaakt. Om zonder lamp te (moeten) gaan slapen werd door
de meeste dorpelingen als een teken van extreme armoede beschouwd.
Om iemand toe te wensen, dat “zijn lamp
moge uitgaan” werd als een heuse vervloeking beschouwd. In Job
18:6 zegt Bildad:
“Nee, het licht van de goddeloze dooft, de gloed van zijn vuur vlamt
niet meer op, in zijn huis wordt alles donker, het licht dat hem
omringde dooft”
De Psalmist
daarentegen, voelde zichzelf gezegend. In Ps 18:28 looft hij God en
zegt:
“U bent het die mijn lamp doet schijnen, u, HEER, mijn God, verlicht
mijn duisternis.”
Uiteraard moest er ook gegeten en dus
gekookt worden. Net als de Nomaden, die in de tenten wonen, zullen
de boeren, als het weer het toelaat, buiten het eten klaarmaken.
Alleen in de winter, als het koud is brengt hij al zijn kookgerei
naar binnen. De Oosterling noemt de plaats, waar hij kookt geen
kachel of stookplaats. Vaak worden in het midden van de kamer, op de
vloer wat stenen in een cirkel gelegd, of wordt een aardewerk pot
met gaten aan de zijkanten gebruikt, waarin hij een vuur aanmaakt.
Als brandstof heeft hij gedroogde mest. Sommige armen gebruiken zèlf
gedroogde mest en verkopen het hout, dat zij verzameld hebben, aan
de welgestelden. Dat dit door alle tijden zo was, kunnen we opmaken
uit een gesprek, dat God voerde met Ezechiël. De profeet vertelt in
Ez. 4:15 het volgende:
“Daarop antwoordde hij mij: ‘Goed dan, ik geef je rundermest in
plaats van menselijke uitwerpselen om je brood op te bakken.”
(zie noot betreffende citaten in
de inleiding)
Brandstof was vaak zo schaars in
het oosten, dat gedroogd gras en verwelkte bloemen zorgvuldig werden
verzameld en tot bundels werden gemaakt, om zo vuur te kunnen maken.
Een andere populaire brandstof waren doorntakken. Je vindt daar
allerlei soorten doorns en doornstruiken, die door de mensen werden
verzameld, en die ze graag in hun vuur wilden verstoken. Overigens
was ook houtskool in die tijd niet ongebruikelijk, hoewel ook dit
meer door de rijke gebruikt werd.
Schoorstenen, zoals wij die
bouwen kende men niet. Soms is er een opening in het dak waardoor de
rook naar buiten kon, vaker echter werd die afgevoerd door de open
ramen.
Vuur werd gemaakt door stenen en
vuurstenen te gebruiken of door hout stevig over elkaar te wrijven.
Er zijn aanwijzingen gevonden, waaruit kan worden opgemaakt, dat men
in Israël later met staal en vuursteen werkte.
We hebben al eerder geschreven, dat
het dak voor allerlei doeleinden diende. Het is een oude gewoonte in
het oosten om een groot deel van het jaar op het dak te wonen en ook
te slapen. Op hete dagen is het daar koeler, omdat daar, door de
hoogte, wat meer wind is. Speciaal ’s morgens vroeg of ’s avonds.
Deze gewoonte kende men niet alleen op het platte land, maar ook in
de stad. In 1 Samuël 9:26 lezen we:
“De
volgende morgen, bij het krieken van de dag, riep Samuël naar Saul
op het dak: ‘Sta op, ik zal u uitgeleide doen”
Het dak deed ook dienst als
bergplaats. De platte oosterse daken, blootgesteld aan lucht en hete
zon, waren heel geschikt om er graan of fruit te laten rijpen of
drogen. Dat was daar dan ook algemeen gebruik . Rachab, een vrouw
van lichte zeden in Jericho, verborg de verspieders van Jozua onder
het vlas, dat op het dak van haar huis te drogen lag. Zie Jozua 2:6
waarin beschreven wordt:
” Rachab had de mannen naar het dak gebracht en ze daar verborgen
onder bundels vlas. Hun achtervolgers vertrokken meteen in de
richting van de Jordaan, naar de oversteekplaatsen. Zodra ze de stad
hadden verlaten werd de poort gesloten.”
Het dak was ook een uitgelezen plaats
om aankondigingen te doen. Wij kennen allemaal het gezegde: “van de
daken schreeuwen”, een gezegde, dat
afkomstig is uit de Bijbel. In Jezus’dagen, en tot voor kort ook bij
ons nog algemeen gebruik, kende men de dorps- of stads omroeper. In
het oosten werden de mededelingen doorgaans ‘s avonds, als de mannen
terugkwamen van hun werk, door de omroeper wereldkundig gemaakt. Hij
ging dan op een dak staan, waardoor hij meer mensen kon bereiken.
Jezus moet dat heel vaak gehoord hebben, getuige de opmerking, die
hij in Matttheuüs 10:27 maakt:
“Wat ik
jullie in het duister zeg, spreek dat uit in het volle licht, en wat
jullie in het oor gefluisterd wordt, schreeuw dat van de daken"
De Rabbijnen
spraken over “weg over de daken.”
Omdat de huizen tegen elkaar gebouwd waren en de straten heel erg
smal, kon men over het hele dorp of stad, van dak tot dak gaan,
zonder er vanaf te komen. Ook Jezus kende deze gewoonte heel goed en
verwijst ernaar als hij het over het laatste oordeel heeft. In
Mattheüs 24:17 zegt Hij:
“wie op het dak van zijn huis is moet niet naar beneden gaan om nog
spullen te halen”
Ook Markus (Mark 13:15) en Lukas (Luk 17:31) schrijven hierover.
In de oosterse stad zijn, in
tegenstelling tot de dorpen, vaak woningen met meerdere kamers te
vinden.
De westerling moet bedenken, dat de binnenplaats in de openlucht is en een zeer belangrijk deel van het huis is. Iemand kan dus “binnen” zijn en toch buiten in de openlucht verblijven. In hoofdstuk 26:69 zegt Mattheus: “Petrus zat buiten, op de binnenplaats …..” Hoewel de binnenplaats direct in de openlucht is, zal over een gedeelte hiervan een zonwering te vinden zijn, zoals op bovenstaande afbeelding te zien is. De binnenplaats wordt vaak mooi gemaakt met bloemen, heesters en zelfs bomen! De Psalmist zegt in hoofdstuk 92 vers 14: “ Ze staan geplant in het huis van de HEER, in de voorhoven van onze God groeien zij op.” Overigens om een misverstaan van dit citaat te voorkomen, hier wordt beslist niet de tempel bedoeld, in de voorhoven van de tempel werden nooit bomen geplant! In de binnenplaats, ook wel hof genoemd, was vaak een put te vinden. We moeten daarbij echter denken aan een waterreservoir, dat onder de grond was aangelegd en waarin regenwater werd opgeslagen. De bovenkant van de put ligt gewoonlijk gelijk met de vloer van de hof. De voordeur werd doorgaans geplaatst in het midden van de muur aan de straatzijde. Deze ingang werd zo gemaakt, dat men vanaf de straat niet naar binnen kon kijken. Soms werd er voor deze deur zelfs een muur gebouwd, om dit te voorkomen. Het kwam ook herhaaldelijk voor, dat er een poort werd gemaakt, met daarin een loopdeur. De kleine deur was voor het dagelijkse gebruik. De poort werd alleen geopend voor bijzondere gelegenheden.
De toegang werd afgesloten met een
sleutel. Deze was van hout. Er zijn sleutels gevonden die liefst 45
cm (!) lang waren. In oudere vertalingen van de Bijbel staat in
Jesaja 22:22 te lezen:
“En Ik zal de sleutel
van het huis van David op zijn
schouder
leggen; opent hij, niemand sluit; sluit hij, niemand opent.”
In de nieuwste
vertaling staat:
“Ik zal hem de sleutel
overhandigen van het huis van David; wanneer hij opendoet, kan
niemand sluiten, wanneer hij sluit, kan niemand openen”
De oudere
vertalingen zijn waarschijnlijk geschreven in de wetenschap van het
bestaan van deze grote, houten sleutel. Uiteraard is
hier sprake van een metafoor. Het
slot werd aangebracht aan de binnenkant van de deur. Om het slot
toch vanaf de buitenzijde te kunnen bereiken, werd een gat in de
deur gemaakt, waardoor men de arm kon steken om zo de sleutel in het
slot te kunnen doen.
Direct achter de toegangsdeur bevindt zich een kleine hal. Deze is vaak gemeubileerd met een paar stoelen of zitbanken voor de portier of andere bedienden. Het is het werk voor de portier, de bedienden of iemand uit de familie, die daarvoor aangewezen is, om met de persoon te spreken, die klopt om te worden binnengelaten.
Het huis werd vaak van een extra
verdieping voorzien. Daar was één kamer, die ervoor bestemd was, om
zich terug te trekken. Belangrijke gasten werden daar ondergebracht.
Vooral in de zomer als het heet was, kon daar verkoeling gevonden
worden. Werden daar meer kamers gebouwd, dan werd het ’t zomerhuis
genoemd. De benedenverdieping heette dan het winterhuis. Deze
bovenverdieping kon worden bereikt met een aan de buitenzijde van de
woning gelegen trap. In de kamer was een bed, een tafel en een
stoel. Een lamp op een standaard ontbrak niet. De bekendste
bovenkamer uit het oude testament, was die, waar de profeet Elisa
verbleef. De rijke vrouw uit Sunem zei tegen haar man:
“Laten we op het dak
van ons huis een kamer voor hem maken en daar een bed, een tafel,
een stoel en een lamp neerzetten, dan kan hij zich daar terugtrekken
als hij bij ons komt.”
zo kunnen we in
(2Kon 4:10 lezen. In Marcus 14:16 en
Lukas 22:12 zegt Jezus:
“Hij zal jullie een grote bovenzaal wijzen, die al is ingericht en
waar alles gereedstaat, maak daar het pesachmaal voor ons klaar.”
Soms, als er
onvoldoende geld was om het huis van een bovenverdieping te
voorzien, was men tevreden met een afdak, waaronder men verkoeling
kon vinden. Zo schaars als het
meubilair was in de kleine éénkamerwoningen in de dorpen, zo rijk
was de stadswoning van de welgestelde gemeubileerd. Divans waren
langs de muren geplaatst, waarop men overdag kon zitten en waarop
voor de nacht een matras en kussens werden gelegd om erop te kunnen
slapen. Het was de gewoonte om op de divan te zitten met gekruiste
benen.
Voedsel
Zoals al in eerdere artikelen werd
opgemerkt, werd aan het einde van de 19e en in het begin van de 20e
eeuw onderzoek gedaan naar het dagelijkse leven en gewoonte van de
mensen in Palestina. Dit werd vergeleken met Bijbelteksten om zo tot
een zo juist mogelijke reconstructie van het leven in de tijd van
het Oude- en het Nieuwe Testament te komen.
Het dagelijkse voedsel voor de
gemiddelde mens was brood, olijven, olijfolie, karnemelk en kaas van
hun dieren. Verder at men fruit en groenten uit eigen boomgaard en
tuin. Alleen bij speciale gelegenheden gebruikte men vlees. Tot in
de moderne tijd werd in Palestina onbewerkt graan gegeten. Aren met
nog niet hard geworden graankorrels werden geplukt en in de handen
gewreven, zodat ze uit elkaar vielen. Het eten van graankorrels gaat
ver terug in de tijd. Voor wat dit laatste betreft, kunnen we in het
boek Deutronomium al lezen, welke wet Mozes op dat gebied gaf. In
hoofdstuk 23 vers 26 zegt hij:
“En
wanneer u door andermans korenveld loopt mag u wel aren plukken met
de hand, maar niet de sikkel in zijn koren slaan.”
Lukas verhaalt er ook over. In
Lukas 6:1 schrijft hij:
“Toen Jezus op sabbat eens door de korenvelden liep, begonnen zijn
leerlingen aren te plukken. Ze wreven die stuk tussen hun handen en
aten ervan.”
Zo
zien we, dat deze gewoonte zich door de eeuwen heen heeft weten te
handhaven. Een andere gewoonte, die men nog steeds kent is het eten
van geroosterde graankorrels. Hiervoor wordt graan gebruikt, dat nog
niet helemaal rijp is en dat in een pan of op een ijzeren plaat
wordt geroosterd. Verwijzing daarnaar kunnen we meerdere keren
terugvinden. In 1Samuël 17:17 staat bijvoorbeeld:
“Op een dag zei Isaï tegen zijn zoon David: ‘Hier heb je een zak
geroosterd graan en tien broden. Breng die snel naar je broers in
het legerkamp.”
Later
wordt David en zijn metgezellen van de nodige proviand voorzien door
Abigaïl. In het boek 1Samuël 25:18 wordt dit als volgt beschreven:
“Haastig liet Abigaïl tweehonderd broden, twee zakken wijn, gedroogd
vlees van vijf schapen, vijf schepel geroosterd graan, honderd
plakken rozijnen en tweehonderd plakken gedroogde vijgen op ezels
laden”
Ook in 2Samuël 17:28 wordt
hierover verteld.
Brood is zonder twijfel het
voornaamste voedsel in het Midden-Oosten. Naar schatting leefde ¾
van de oosterse bevolking in hoofdzaak van brood. De uitdrukking
“brood eten” heeft daar dezelfde betekenis als in het westen met
“gaan eten” wordt bedoeld.
In het Heilige Land, waren drie
soorten brood bekend. Er waren kleine broodjes, die in grootte wel
wat weg hadden van beschuit. Dan was er het ronde brood, dat leek op
de broden, die vandaag de dag ook, onder andere bij Turkse winkels,
te koop zijn. Op de derde plaats waren er platte broden, die wel wat
overeenkomst hebben met de bij ons bekende dunne pannenkoeken. Ze
zijn overigens wel wat harder. Dit brood werd wel als “lepel”
gebruikt. De oosterling breekt stukjes van het brood en buigt ze
enigszins lepelvormig, zodat hij er halfvloeibare sauzen of soep mee
kan eten.
De meest primitieve manier van
bakken, die werd toegepast, was het gebruik van een grote afgeronde
steen, die in het vuur lag. Men legde een soort platte, ronde koek
op de gloeiende steen. Een andere, eenvoudige, manier om brood te
bakken, was een aardewerk pot in de grond. Nadat deze pot voldoende
verhit was, werd een uitgerolde ronde plak deeg tegen de hete
zijkant geplakt om te bakken. Dan was daar nog de uit stenen
opgebouwde oven. Die had aan de binnenzijde de vorm van een rond
gewelf en een stenen vloer. Aan de twee zijkanten brandde een
houtvuur en in het midden werden de broden gelegd. Dit type oven was
vroeger ook te vinden bij de boeren op ons eigen platte land.
Bakkerijen waren al vroeg bekend. Zo blijkt in Jeruzalem in
Jeremia’s tijd al een Bakkersstraat te hebben bestaan. In jeremia
37:21 staat:
“Koning
Sedekia beval toen Jeremia over te plaatsen naar het kwartier van de
paleiswacht. Daar kreeg hij elke dag een brood uit de Bakkersstraat,
totdat al het brood in de stad op was. Jeremia bleef in het kwartier
van de paleiswacht.”
Groente maakte, zoals al eerder
is vermeld ook deel uit van het dagelijkse eten. Het meest at men
bonen en linzen. In 2Samuël 17:28 worden beide groenten met name
genoemd:
“Ze brachten hem en zijn aanhangers dekens, kookgerei en voedsel:
tarwe, gerst, meel, geroosterd graan, bonen en linzen,”
En, natuurlijk hebben we allemaal wel
eens het verhaal van Ezau en Jacob gehoord, waarin het
eerstgeboorterecht voor een bord linzensoep werd verkocht. Verder
kende men uit de Egyptische tijd ook nog diverse groenten, zoals
blijkt uit Numeri 11 vers 5:
“We verlangen terug naar de vis die we in Egypte volop te eten
hadden, naar de komkommers en watermeloenen, de prei, uien en
knoflook.”
Ook wordt in de Bijbel over
pompoenen gesproken.
Zuivelproducten, zoals wij die
kennen waren er ook. Melk was niet iets, wat gebruikt werd om in te
koken of ergens in te mengen, maar was een belangrijk deel van de
dagelijkse voeding. Er werd niet alleen koeienmelk gedronken, maar
ook schapen en geitenmelk en, zelfs kamelenmelk. Voorts waren boter,
karnemelk, en kaas bekend en natuurlijk eieren.
Vlees werd alleen bij speciale
gelegenheden gegeten. Als er een vreemde of een gast in huis kwam,
of, wanneer er een feest te vieren was, werd vlees opgediend. Alleen
koningen en de heel welgestelden aten dagelijks vlees. Dat dit zo
was, blijkt wel uit 1Koningen 4:22/23, waarin de volgende
hoeveelheden worden opgesomd
“
Aan
Salomo’s hof werd dagelijks de volgende hoeveelheid voedsel
gebruikt: dertig ezelslasten tarwebloem en zestig ezelslasten meel,
tien gemeste runderen, nog twintig runderen, honderd schapen en
geiten, en dan nog herten, gazellen, reebokken en gemeste hoenders”
Dat vis vaak werd gegeten is
welbekend uit de verhalen van Jezus.
Dat honing een heel belangrijk
deel van de voeding uitmaakte mag blijken uit de belofte van God aan
Abraham, dat Hij hem een “Land van melk en honing” zou schenken.
Mogelijk kende men imkers, die bijenvolken hielden, echter, vaak
wordt er verwezen naar citaten, dat wilde honing heel gebruikelijk
was. Denk maar aan de honing, die Jonathan vond in een holle boom,
de rotsholen, waarover de Psalmist schrijft en de karkassen van
wilde dieren, zoals in het verhaal van Simson/Samson.
Fruit was er in overvloed, zoals olijven, hoewel het leeuwendeel daarvan verwerkt werd tot olijfolie. Verder nog vijgen, druiven, rozijnen en granaatappels.
Aantal bezoekers t/m 31-12-2011 bedroeg 3122 |